“De helikopter zag niemand. Maar mijn hond bleef aandringen en daar lag iemand, half in het water”, vertelt Marco Houtmeyers, coördinator van de diensthonden binnen PLOT, de Limburgse veiligheidsschool. “Maar daaraan zie je dat de hond toch wel effectief z’n meerwaarde heeft.” Als de hond er niet was, dan hadden ze die persoon nooit gevonden. Puur door de geurmoleculen van die persoon zei de hond: “Daar zit hij, baas.”
Op de veiligheidscampus PLOT in Genk begeleidt Houtmeyers de diensthonden. Achter elke hond die je op een festival of in een interventiewagen ziet, zit een traject dat begint met iets heel eenvoudigs: een pupje dat vooral mag spelen. “Het eerste jaar gaat over de wereld leren kennen,” zegt Houtmeyers. “Misschien wat licht trainen, maar we verwachten nog niks. Een beetje gewenning, socialiseren. Het leuk maken eigenlijk.”
Na het eerste jaar begint het echte werk. Een karaktertest bepaalt of de hond geschikt is: spelgedrag, stressbestendigheid, nieuwsgierigheid, geen angst voor schoten, vuurwerk of hoogtes. Alleen honden die dat aankunnen, stromen door naar de opleiding. Die duurt 57 intensieve dagen, elke dag van negen tot vijf. Speuren, behendigheid, bijttechnieken, theorie, situaties nabootsen.” De begeleiders krijgen ook een theorie-examen.
Verschillende functies
Mechelse en Hollandse herders blijven de populairste rassen, omdat ze snel, energiek en stabiel zijn. Maar voor gespecialiseerde disciplines werken ze evengoed met kleinere rassen. Dat benadrukt Koen Miermans, brandhaarddetectiehondengeleider bij de Federale Politie. Zijn hond speurt brandversnellers op. “Een hond ruikt wat voor ons onzichtbaar blijft,” zegt Koen. “Het is ongelooflijk hoe precies ze zijn.”
Koen Miermans heeft al bijna vier decennia ervaring in het werken met politiehonden: “Ik heb eerst 26 jaar drugs opgespoord met de honden. En nu, zoek ik al 12 jaar met de honden naar brandversnellers,” vertelt hij. Zijn huidige werk draait volledig rond producten zoals benzine, diesel en white spirit, stoffen die brandstichters gebruiken. Het blijft een indrukwekkend proces: “De honden kunnen tot één tiende van een druppel terugvinden. Twee microliter. Dat vind ik eigenlijk al heel straf.” Dat ze dat kunnen in ruimtes die soms volledig zijn weggebrand, maakt het voor hem nog opmerkelijker.
De inzetbaarheid van politiehonden is breder dan de meeste mensen denken: interventies ondersteunen, vermiste personen zoeken, explosieven detecteren, ICT-materiaal opsporen, drugs vinden, overleden personen lokaliseren… Maar patrouillehonden komen het meest in het straatbeeld voor. Ze hebben dan ook vooral een preventieve functie. Ze zullen je dus niet snel bijten: “Alleen op bevel,” zegt Marco. “Behalve wanneer de geleider zelf wordt aangevallen. Dat is de enige uitzondering.”
Voor ons lijkt dat agressie, maar voor de hond is het werkplezier. Alles wordt via spel aangeleerd. Dit is ook de reden dat patrouillehonden vaak niet worden opgeleid tot bijvoorbeeld drugshonden. Drugshonden zijn niet opgeleid om te bijten, maar om zich mooi naast je neer te zetten als je drugs bijhebt.

Op pensioen
Wanneer een hond met pensioen gaat, stopt de ondersteuning van de politie. Medische kosten komen volledig bij de geleider terecht, net op het moment dat honden ouder worden en kwaaltjes opduiken. Marco is de voorzitter van Belgian Blue Paw, een vereniging die gepensioneerde diensthonden ondersteunt. Van dierenartskosten tot crematie. “Ze hebben jaren voor de samenleving gewerkt. Dan verdienen ze ook een waardig pensioen,” zegt hij.
Ook Miermans is helder over de carrière van zijn honden. Ze werken lang en intensief, maar mogen na hun actieve jaren vooral gewoon hond zijn. “Ze blijven gemiddeld leeftijd ongeveer 10 jaar werken, maar mijn honden hebben altijd tot 11 of 12 jaar gewerkt,” zegt hij. Wat daarna gebeurt, is voor hem vanzelfsprekend. “Wij mogen die houden. En ja, als je daar zo lang mee gewerkt hebt… dan ben je eigenlijk een collega en een vriend.” De meeste geleiders houden hun honden thuis na hun pensioen, en hij vormt daarop geen uitzondering. Toch benadrukt hij dat er altijd een vangnet is: wie zijn hond niet kan houden, kan rekenen op het hondencentrum dat een gastgezin zoekt. Maar voor Koen is dat moeilijk voor te stellen. “Na zoveel jaren… die laat je niet zomaar gaan.”

