Kleine bijen grote zorgen
© Jasper Leeten

Kleine bijen grote zorgen

Wie door het Hageven in Pelt wandelt, ziet vooral paarse heide, vennen en grazende dieren. Maar onder dat landschap speelt zich een veel kleiner en kwetsbaarder verhaal af: dat van de bestuivers. Het natuurgebied is aangeduid als wildebestuiversreservaat, omdat er tientallen soorten voorkomen. Toch is hun toekomst niet verzekerd: droogte, stikstof, dichtgroeiende heide en een gebrek aan opvolging maken het moeilijk om die soorten te beschermen.

Dat is precies waarom het Hageven werd aangeduid als wildebestuiversreservaat. Niet omdat er plots een hek rond de bijen staat, maar omdat het gebied door zijn variatie bijzonder belangrijk is voor wilde bestuivers. In Vlaanderen staan die steeds meer onder druk. Volgens Jens D’Haeseleer, wetenschappelijk medewerker wilde bijen bij Natuurpunt, zijn bestuivers onmisbaar voor wilde planten en landbouwgewassen. Hij maakt dat heel concreet: “Die kersen zijn er alleen maar dankzij bestuivende insecten. ”Zonder die insecten zouden er minder plantensoorten zijn en zou ook ons voedselaanbod veranderen. Tegelijk blijkt uit de Rode Lijst dat het slecht gaat met veel wilde bijen: Vlaanderen telt 340 inheemse soorten, waarvan volgens D’Haeseleer ongeveer de helft uitgestorven, bedreigd, kwetsbaar of bijna in gevaar is.

De reservaten moeten daarom meer zijn dan mooie natuurgebieden. Ze moeten voorbeeldplekken worden waar gericht wordt gekeken naar wat wilde bijen nodig hebben. D’Haeseleer benadrukt dat natuurbeheer lang vooral gericht was op planten en vogels. Voor insecten is vaak fijner beheer nodig. Een heide kan er voor een wandelaar prachtig uitzien, maar voor een wilde bij toch ongeschikt zijn als er geen open zand of nestplekken in de buurt zijn. “Het soort detailbeheer is wat het verschil maakt”, zegt D’Haeseleer. Het verschil tussen een gebied dat goed is voor vogels en planten, of een gebied dat ook werkt voor insecten zoals wilde bijen.

Een heide is meer dan paarse bloemen

Wie aan bijen denkt, denkt vaak automatisch aan bloemen. Maar voor wilde bijen is dat maar de helft van het verhaal. Ze hebben voedsel nodig, maar ook nestplaatsen, warmte, beschutting en variatie. D’Haeseleer vat goed beheer voor wilde bijen samen in één woord: “diversiteit”. Het gaat volgens hem om “veel diversiteit aan nestplaatsen, aan reliëf, aan plantensoorten, aan structuur”. In een goed gebied moeten korte vegetatie, hogere planten, struiken, open bodem en schaduwplekken elkaar afwisselen. Op warme dagen hebben insecten verkoeling nodig, op koude dagen juist plekken waar ze snel kunnen opwarmen.

In het Hageven probeert Palmans die variatie op het terrein te behouden. Dat gebeurt niet door het gebied gewoon zijn gang te laten gaan. Integendeel: zonder beheer zou de heide dichtgroeien. Grassen zoals pijpenstrootje kunnen de open heide verdringen. Daarom lopen er in het gebied koeien, paarden en op sommige plaatsen ook schapen. “We hebben eigenlijk drie verschillende manieren van begrazen”, legt Palmans uit. Elk dier eet op een andere manier en zorgt zo voor een andere structuur in het landschap.

In de volgende video kom je meer te weten over wat er nog bij het beheer van het Hageven komt kijken:

De kudde pony’s telt 8 volwassen vrouwtjes en 2 veulens. © Jasper Leeten

Die structuur is belangrijker dan ze op het eerste gezicht lijkt. Aan de Belgische kant wordt opslag van jonge bomen en struiken sneller weggehaald dan aan de Nederlandse kant. Dat verschil heeft niet alleen met natuurvisie te maken, maar ook met geld en vrijwilligers. Palmans legt uit dat het kleine handwerk in het Hageven grotendeels door vrijwilligers gebeurt. Zij verwijderen dennenopslag en berkenopslag voordat de heide dichtgroeit. In Nederland wordt vaker gewacht tot het rendabel is om een aannemer te laten komen.

Het gevolg is dat de heide aan beide kanten van de grens anders oogt. Aan de Belgische kant is de temperatuurdynamiek groter. Op een warme dag kan de bodem veel heter worden dan de lucht. Palmans zag tijdens een meting een luchttemperatuur van ongeveer 30 graden, terwijl de grondtemperatuur opliep tot 51 à 52 graden. Voor soorten zoals zandloopkevers, bepaalde spinnen en wilde bijen zijn net die warme microklimaten van belang. Als het gebied te veel beschaduwd raakt, verdwijnen zulke soorten. “Dan ben je die soorten kwijt”, zegt Palmans.

Tien reservaten, honderden soorten

De wildebestuiversreservaten van Natuurpunt zijn niet willekeurig gekozen. D’Haeseleer legt uit dat Natuurpunt de gebieden heeft geselecteerd op basis van waarnemingen en een puntensysteem. Zeldzame soorten kregen daarin meer gewicht dan algemene soorten. Daarna werden per provincie twee gebieden gekozen. Zo ontstond een netwerk van tien Natuurpunt-reservaten, telkens in andere landschappen: zandstreek, leemstreek, kust, heide, grasland en gebieden dichter bij stedelijke omgeving.

Het Hageven scoorde hoog in die selectie. Volgens D’Haeseleer zijn er in het gebied al ongeveer 125 soorten wilde bijen vastgesteld. Niet alleen het aantal soorten telt, maar ook welke soorten er voorkomen. Sommige zeldzame bijen krijgen in de puntenscore meer gewicht, net omdat hun voortbestaan afhankelijk is van heel specifieke plekken. “Een hele zeldzame soort kan ineens veel meer opleveren dan een iets minder zeldzame soort”, legt hij uit.

D’Haeseleer ziet de reservaten daarom als voorbeeldgebieden. De bedoeling is om de populaties die er nog zijn te behouden, te versterken en, waar mogelijk, opnieuw te laten groeien. “We beschouwen het een beetje als onze verantwoordelijkheid”, zegt hij. Natuurpunt wil de soorten in die gebieden “behouden, boosten en zelfs vooruit laten gaan”. Zo moeten de reservaten helpen om de bredere Vlaamse trend van achteruitgang minstens plaatselijk te keren.

Toch zijn de reservaten geen wondermiddel. D’Haeseleer noemt het project zelf nog “work in progress”. In sommige gebieden wordt al actief onderzocht en bijgestuurd, in andere is daar nog minder aandacht voor geweest. Dat is meteen een van de spanningen in het verhaal: een gebied aanduiden als reservaat is één ding, het jarenlang opvolgen en beheren is iets anders. Zonder monitoring weet je niet of soorten vooruitgaan of achteruitgaan. Zonder geld en mensen blijft een reservaat vooral een naam op papier.

De bij die maar één plant wil

Waarom is dat beheer zo precies? Omdat veel wilde bijen zelf ook heel precies zijn. Een honingbij bezoekt allerlei bloemen, maar veel wilde bijen zijn kieskeuriger. D’Haeseleer legt uit dat ongeveer één op drie wilde bijensoorten gespecialiseerd is in zijn bloembezoek. Daarbij gaat het vooral over stuifmeel, het voedsel voor de larven. “Een babybij is een wormpje. Nectar drinken volwassen bijen zelf, maar stuifmeel verzamelen ze voor hun nakomelingen. Sommige soorten verzamelen dat stuifmeel alleen op één plantensoort of één plantenfamilie”, zegt hij

Dat maakt zulke soorten kwetsbaar. Verdwijnt de juiste plant, dan verdwijnt vaak ook de bij. D’Haeseleer geeft het voorbeeld van de knautiabij, die afhankelijk is van beemdkroon. In het Rosdel, een bijenreservaat in Hoegaarden, wordt al jaren gericht beheer gevoerd voor die plant. Door graslanden niet volledig te maaien, maar stroken te laten staan, kan de beemdkroon uitzaaien en uitbreiden. Daardoor groeit ook de populatie knautiabijen. Volgens D’Haeseleer werden er dit jaar 115 verschillende vrouwtjes geteld, het hoogste aantal tot nu toe.

Het voorbeeld toont hoe klein het verschil soms is. Een strook van enkele meters breed kan voor een bedreigde soort een levenslijn zijn. Maar het toont ook hoe kwetsbaar die levenslijn is. “Als je heel dat perceel maait, dan heb je geen beemdkroon, dan heb je dus ook nul knautiabij”, zegt D’Haeseleer. Eén verkeerde maaibeurt op het verkeerde moment kan een lokale populatie zwaar raken. Daarom pleit hij voor gefaseerd maaien: niet alles in één keer kort zetten, maar telkens stukken laten staan. Op papier klinkt dat eenvoudig. In de praktijk vraagt het kennis, tijd en mensen.

De strijd tegen stikstof en droogte

In het Hageven komt daar nog een extra probleem bij. Palmans noemt het gebied een van de stikstofrijkste natuurgebieden van Vlaanderen. Volgens hem valt er ongeveer 26 kilo stikstof per hectare per jaar neer. Die stikstof stimuleert grasgroei en verzwakt planten die net arme omstandigheden nodig hebben, zoals heideplanten. Daardoor krijgen algemene grassen de kans om typische soorten van arme heidevegetaties te verdringen. Als beheerder kan hij die stikstof niet tegenhouden. “Of je moet een hele grote paraplu over het Hageven spannen”, zegt Palmans.

Toch ziet Palmans op dit moment nog een grotere bedreiging: verdroging. De Dommel, die hij de levenslijn van het gebied noemt, ligt volgens hem te diep in het landschap. Daardoor stroomt water te snel weg. Waar de rivier vroeger in de winter tot aan de rand stond en omliggende zones mee nat hield, gebeurt dat volgens Palmans al jaren niet meer. De bedding is smaller geworden, het water stroomt sneller en het gebied wordt als het ware leeggezogen. “De natte heide wordt droge heide. De droge heide wordt dode heide”, zegt hij.

Jonge dode planten zijn bruin en verdord terwijl de oudere planten wel blijven overleven. © Jasper Leeten

Voor wilde bestuivers klinkt droogte misschien minder direct bedreigend dan voor waterplanten of libellen, maar alles hangt samen. Minder water betekent andere planten, minder bloei, minder variatie en dus minder voedsel. Palmans probeert daarom ook zelf meer nectarplanten in het gebied te krijgen. Hij verzamelt zaden van onder meer blauwe knoop, ganzenbloem, wilde peen en korenbloem om langs randen en toegangswegen meer bloei te creëren. “We hebben veel te weinig nectarplanten in het gebied”, zegt hij. Voor voorjaarsbijen zijn wilgen belangrijk, maar die bloeien maar kort. Daarna moet er ook later in het seizoen genoeg voedsel zijn.

Reservaat of eiland?

De vraag blijft of reservaten genoeg zijn. D’Haeseleer is daar voorzichtig in. De tien Natuurpunt-reservaten moeten helpen om de achteruitgang van wilde bijen minstens in die gebieden te keren. Maar als het landschap errond arm blijft, dreigen ze eilandjes te worden. Bijen hebben niet alleen beschermde kerngebieden nodig, maar ook bermen, tuinen, graslanden en kleine landschapselementen die als verbinding dienen.

Ook de opvolging blijft een uitdaging. Het Vlaamse actieplan voor wilde bestuivers zorgde volgens D’Haeseleer voor belangrijke stappen: de Rode Lijst werd ondersteund, reservaten werden aangeduid en het thema kwam hoger op de agenda. Maar hij waarschuwt dat aanduiden niet volstaat. Er moet ook geld zijn voor inventarisaties, monitoring, beheer, communicatie en educatie. Op dit moment worden volgens hem maar enkele reservaten professioneel opgevolgd. In andere gebieden gebeurt minder gestandaardiseerde monitoring. Daardoor is niet altijd duidelijk of soorten vooruit of achteruit gaan. Het risico bestaat dan dat het concept een “lege doos” wordt.

Palmans ziet op het terrein hoe afhankelijk natuurbeheer is van mensen die blijven komen opdagen. Het Hageven draait voor een groot deel op vrijwilligers. Zij verwijderen opslag, helpen bij beheerwerken en houden mee het gebied open. Maar dat systeem is kwetsbaar. “Of we dat kunnen volhouden, dat vrijwilligerswerk, dat zal de toekomst uitwijzen”, zegt Palmans. Als er minder vrijwilligers komen, moeten andere keuzes gemaakt worden. En in natuurbeheer betekent kiezen bijna altijd ook verliezen.

Luister hier naar een sfeerreportage van het Hageven:

Reacties

Nog geen reacties. Waarom begint u de discussie niet?

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *